Van de ene op de andere dag verliest Gijsje haar vader aan longkanker. Het praten met verschillende mensen helpt haar met gevoelens en dagelijkse situaties om te gaan.
‘Niks aan de hand’, zegt de vader van Gijsje monter wanneer zij (20) en haar broertjes (18 en 14) hem opzoeken in het ziekenhuis. Eerder die dag kreeg hij het plotseling benauwd en kon hij niet meer overeind komen. Reden tot zorg voelt hij niet omdat hij verder nergens last van heeft, op pijnlijke knieën na. Daarover zei de huisarts twee weken eerder dat het vermoedelijk een slijmbeursontsteking is als gevolg van eerdere knieoperaties. Voor de zekerheid houden de artsen hem toch een paar nachten in het ziekenhuis.
Foute boel
Twee dagen later krijgt Gijsje een appje van haar vader. Of zij en de jongens naar hem toe willen komen; er is nieuws. Ze heeft er geen goed gevoel over. Het blijkt inderdaad foute boel te zijn. Er is longkanker ontdekt, uitgezaaid tot in zijn benen en lever. Vandaar de pijn in zijn knieën. Wat dit betekent voor zijn levensverwachting kunnen de artsen nog niet zeggen. Maar het belooft niet veel goeds.
Intens verdrietig realiseren ze zich wat dat kan betekenen. ‘Ik zou het zo jammer vinden als ik niet meer bij je diplomauitreiking kan zijn’, zegt Gijsjes vader tegen zijn jongste, die op dat moment in 3vwo zit. ‘En ik had zo graag willen weten welke programma’s jij later gaat presenteren’, vertelt hij Gijsje, die journalistiek studeert. Naast verdriet is er ook plezier. Met z’n viertjes mijmeren ze volop over wat ze nog allemaal samen willen doen. Tot de verpleging hem komt verzorgen, dan nemen ze afscheid.
Afscheid nemen
Om zes uur ’s ochtends wordt Gijsje wakker gebeld door het ziekenhuis; het gaat helemaal niet goed met haar vader. Zij en haar broertjes worden door Gijsjes vriend met een noodgang naar het ziekenhuis geraced. Met z’n drieën hollen ze naar de afdeling. Daar treffen ze hun vader doodziek aan. ‘Hij is niet meer aanspreekbaar maar er is een kans dat hij jullie nog wel kan horen’, zegt de verpleegkundige voor ze hen alleen laat. Gijsje en haar broers nemen verbijsterd plaats rond hun vader. Ze bedanken hem voor alles en beloven altijd bij elkaar te blijven, zoals hij hen de dag ervoor op het hart heeft gedrukt. En dan, een paar minuten later, is het gedaan.
‘Hij is niet meer aanspreekbaar maar er is een kans dat hij jullie nog wel kan horen, ...’
‘Het was allemaal zo onwerkelijk’, vertelt Gijsje. Ze kan haast niet geloven dat het alweer bijna een jaar geleden is. Het lijkt veel korter. ‘Ik weet nog goed dat de uitvaartondernemer op de stoep stond en ik alleen maar kon denken: wat dóe jij hier? Mijn vaders uitvaart is wel het laatste waar ik mee bezig wil zijn!’ Maar tot haar eigen verwondering vindt ze het regelen van de uitvaart helemaal niet vervelend. ‘Eindelijk kon ik ergens de controle over pakken. En het was eigenlijk heel gezellig om samen met mijn broertjes door de fotoalbums heen te bladeren en naar muziek te luisteren.’
In het uitvaartcentrum
In die dagen brengen Gijsje en haar broertjes hun vader een paar keer een bezoek in het uitvaartcentrum waar hij ligt opgebaard. ‘De eerste keer was ik heel gespannen. We hadden nog nooit een dode gezien. We moesten allemaal huilen. En ook een beetje lachen, want hij lag er mooi bij maar zijn gezicht had een gekke uitdrukking die we niet van hem kenden. Maar het wende. Al snel zaten we om hem heen met een kopje thee en namen we de dag met elkaar door alsof we weer samen aan de keukentafel zaten. Op momenten vergat ik even dat hij niet meer wakker zou worden. De dag voor de crematie sloten we de kist. Dat vond ik heel heftig. Ik wilde uit alle macht zijn gezicht onthouden.’
Uitvaartbubbel
De dag erop is de uitvaart. ‘Die begon spannend. Het voelde alsof ik een show in elkaar had gezet: wat zou het publiek ervan vinden? Maar alles ging goed. Het was ontzettend druk en mijn vader was omringd door een zee van bloemen. We slaagden er alledrie in om een verhaal te vertellen. Na afloop was het heel gezellig. Ik denk dat het precies zo ging als mijn vader had gewild. Nog steeds kijk ik er met veel liefde terug op die dag.’
De bubbel van de uitvaart houdt een maand aan. Dan wordt het zwaarder, maar Gijsje doet haar uiterste best om het verdriet op afstand te houden. ‘Nog steeds drong het niet tot me door dat hij er niet meer was. Ik durfde er ook niet aan te denken omdat ik niet wist waar me dat zou brengen. Als iemand vroeg hoe het met me ging, was mijn standaardantwoord: ‘Naar omstandigheden goed’. De waarheid vertellen zou me te veel energie kosten. En ik zei het ook om de ander te helpen: het echte antwoord zou niet leuk zijn.’
'We slaagden er alledrie in om een verhaal te vertellen. Na afloop was het heel gezellig. Ik denk dat het precies zo ging als mijn vader had gewild. Nog steeds kijk ik er met veel liefde terug op die dag.''
Somberheid toestaan
Gijsje heeft ook een praktische reden om het verdriet voor zich uit te schuiven. Het is geen handig moment om te rouwen want ze wil zich richten op haar scriptie. ‘Dat ging een poosje goed. Toen werd ik somber. Mijn agenda zat ramvol maar nergens haalde ik voldoening uit.’ Toen dat gevoel er na twee maanden nog steeds was, regelde Gijsje een aantal sessies bij een studentenpsycholoog. ‘Die leerde me toe te geven aan mijn somberheid. Eerder deed ik dat niet, omdat ik het niet vond passen bij wie ik ben en hoe anderen mij zien: een vrolijke, extraverte meid. Maar het een sluit het ander niet uit, weet ik nu. Tegenwoordig zeg ik veel makkelijker nee als ik geen zin heb in een feestje, en durf ik ook eerlijk te zeggen dat dat komt doordat ik verdrietig ben of geen energie heb.’
Praten met lotgenoten
Daarnaast sluit Gijsje zich aan bij een ondersteuningsgroep met anderen die ook een ouder verloren hebben. ‘Mensen die dit niet hebben meegemaakt, praten met mij altijd erg behoedzaam over het verlies van mijn vader. Dat is logisch, maar dat maakt het ook moeilijk. In mijn ondersteuningsgroep is de sfeer lichter. Wanneer ik daar iets vertel, zeggen ze gewoon: ‘Ja man, dat is echt. Bij hen kan ik even lekker zeiken over hoe shit het soms is. Bovendien kan ik er echt de diepte in gaan. Het zijn een soort vakgenoten: doordat je met elkaar dezelfde ervaringen en taal deelt, kun je in meer detail met elkaar praten.’
Met haar twee naaste lotgenoten, haar broertjes, heeft Gijsje ook gesprekken. ‘Niet dat we met z’n allen bij elkaar gaan zitten om het over papa te hebben of over ons verdriet. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Hij komt altijd op een natuurlijke manier ter sprake. Als iemand over hem heeft gedroomd bijvoorbeeld, of als we een foto tegenkomen van vroeger. Dat is onze gezamenlijk manier van verwerken en herinneren, en die werkt.’
Nieuwe inzichten
Het verlies van haar vader heeft haar niet veranderd, vindt Gijsje. Wel heeft ze zichzelf beter leren kennen. ‘Als ik kijk naar hoe ik me heb herpakt en naar de verantwoordelijkheid die ik heb genomen richting mijn broertjes, dan kan ik wel zeggen dat ik meer in mijn mars heb dan ik dacht. Het heeft ook in perspectief gezet hoe belangrijk sommige dingen in het leven zijn. Ik wil veel van de wereld zien en nog beter op mijn gezondheid letten. En wat iedereen zegt, maar wat je pas echt begrijpt als je iemand die je zo dierbaar is verliest: ik wil heel veel genieten van dit leven.’